
| Vrijdag 27 december. Het is 11 uur s morgens als ik bij de kooi aankom. Arrow, mijn hond, dartelt vrolijk om mij heen en kijkt naar mij alsof hij zeggen wil "Vandaag gaan we weer op pad, hoera!" Ik kijk op de thermometer en zie dat het 16 graden onder nul is. Als ik de deuren open maak komt er ondanks de snerpende kou een warme luchtstroom uit de schaapskooi. "Kom op dames, eruit, dan maak ik vast jullie diner klaar voor vanavond". Ondanks dat het bitter koud is willen de schapen er graag uit. Arrow brengt ze naar de wei naast de kooi. Ik kan met een gerust hart het hek open laten staan, want niemand die er nu weer uitkomt dankzij Arrow. Ik kijk even rond of er niemand is achtergebleven, want in dezer tijd krijgen we altijd een paar lammeren. Dat is voor de kerstwandeling die hier jaarlijks wordt gehouden. Geen lammetje te zien, dus geen beschuit met muisjes vanmorgen. Ik begin met het hooi uit de schuur in de voerbakken in de kooi te doen. Zo kunnen ze vanavond direct beginnen te eten als we weer terug zijn van de hei. Arrow komt met een stok aan die ik dus weer weggooien moet. Na twee of drie keer zeg ik: "Ja, je bekijkt het maar, ik heb nog wel wat anders te doen, want je blijft aan de gang". Na ongeveer drie kwartier zit alle hooi in de bakken en neem ik een kop hete thee en een paar plakken brood, want op de hei kun je moeilijk brood eten nu, als het zo koud is. Je doet je handschoenen uit en je hebt de handen in no time steenkoud. Ik trek mijn overige kleren aan, drie dunne broeken over elkaar en als laatste een regenbroek die de wind tegenhoudt. Ook de nodige truien en drie jassen heb ik aan. Nu nog een dikke muts op, twee paar handschoenen aan en zo moet het dan maar. Ik blaas op mijn fluit en de schapen komen naar het hek. Arrow kijkt mij aan en ik zeg "Het is goed zo, blijf hoor". Arrow ligt naast het hek om de schapen te laten passeren. Zo gaan we de hei op. We komen nu in de volle wind, wat pijn doet aan het gezicht ondanks de vaseline die op mijn gezicht zit. Langzaam beweegt de kudde zich voort en de schapen nemen hier en daar een hap. Het heeft gesneeuwd maar toch kunnen ze nog wel wat vinden. Langzaam verwijderen we ons van de kooi en komen we bij een dicht gevroren ven. Ik loop het ijs op en roep Arrow. Hij kijkt mij aan en ik roep nog eens. Met tegenzin komt hij, want het ijs is glad en hij loopt erg moeilijk. Een klein stukje en dan denkt hij "Bekijk het maar". Hij schuifelt weer terug naar de kant. De schapen hebben blijkbaar een stukje ontdekt dat goed smaakt, want ze staan lekker te grazen. Ik kijk eens om me heen en zien niets of niemand. Het lijkt net of ik helemaal alleen ben; logisch ook met zulk weer. Maar ik weet dat ik niet helemaal alleen ben want God waakt over mij en dat is een geruststellende gedachte. Voordat ik schaapherder was, wist ik van niets. Maar sinds ik herder ben, weet ik dat ik nooit alleen op pad ben. Trouwens, ik word ook nog angstvallig in de gaten gehouden door een roedel reeën, die opgestaan zijn om mij beter te kunnen zien. Er overwinteren hier meestal zon veertig reeën in de winter. En in het voorjaar trekken ze dan weer naar andere oorden. Ze lopen niet weg maar ze houden ons wel in de gaten. Ik loop er nu vlak langs en houd Arrow dicht bij mij. Een eindje verder; paniek onder de schapen. Ze rennen alle kanten op. Ik kijk, en zie dat er een haas tussen de schapen loopt. Hazen blijven altijd zolang mogelijk liggen, vooral met dit weer. Soms kun je ze haast aanraken. Voor mij hoeven ze niet weg te lopen. Ik zal ze niets doen, maar dat weet het haas niet. Waarom zou je zon dier iets doen, ieder wezen op aarde heeft toch het recht om te leven? Inmiddels heeft het haas een opening gevonden en gaat er vandoor. Het is twee uur en zo langzamerhand tijd om de terugweg aan te vangen want het is vandaag vast vroeg donker. Er gaat opeens een schaap liggen en dan weer staan. Ze krabt met haar voorpoten in de bevroren grond. "Nee hè niet hier", zeg ik tegen haar. "Alsjeblieft niet!" Dit schaap moet lammeren maar ik probeer haar in de benen te houden. We gaan nu onmiddellijk richting kooi en zo vlug als het kan. Dat betekent niet hardlopend, maar het gaat toch iets sneller dan vanmorgen. Een paar keer jaag ik het schaap met zachte drang in de benen. Ik zie dat de pootjes er al zijn. Maar als het lammetje hier geboren wordt heeft het minimale overlevingskansen in deze bittere kou. Dus hij of zij nog even binnen blijven. De kooi komt in zicht, nog ongeveer een kilometer. Plotseling gaat het schaap liggen en wordt vrijwel direct het lammetje geboren. Ze kon niet langer meer wachten, maar nu is het niet erg ver meer naar de kooi. Ik laat het schaap eerst even het lammetje schoonlikken en pak dan het lam onder de jas. Maar wel zo dat de moeder het kan zien, anders wil ze niet meer mee. Maar nu ze het ziet en ruikt loopt ze me haast omver. Ik laat Arrow achter bij de kudde en zeg: "Hou vast hoor!" Als ik bij de kooi ben, leg ik het meisje, dat zie ik nu, in een dikke laag vers stro en ga weer terug naar de kudde waar Arrow mij al kwispelend tegemoet komt. Ik haal hem even aan en zeg: "Braaf hoor, goed gedaan!". We lopen weer verder om na anderhalf uur ook weer bij de kooi terug te keren. Als we vlak bij de kooi zijn beginnen de schapen hard te lopen want ze weten dat het hooi klaar staat. Nadat alle schapen aan de bakken staan te eten kijk ik weer naar de nieuwe moeder en zie dat haar dochter staat te drinken. Opgelucht zie ik dat het lam er niet van geleden heeft. Ik doe wat biks in de voorbak en sluit alle deuren zorgvuldig. Weldra is het lekker warm in de kooi. Het was weer een mooie dag ondanks de kou. Ik ga weer met een voldaan gevoel naar huis, een klein feestje vieren, want we zijn vandaag tweeëntwintig jaar getrouwd. Dit was dus zomaar een koude dag uit het leven van schaapherder Dinus Luning. |